Mijn beroepsgeheimen 

 

Mijn beroepsgeheimen… En dan heb je inspiratie gekregen van deze site. Je wilt gaan schilderen en je hebt verf nodig. Kleur, pigmenten. In de oertijd waren dat gemalen stukken rots, of een beetje houtskool. Geen rood (bloed hield het natuurlijk niet), bijna geen groen, want vlekken van gras blijven alleen maar in je witte broek zitten. Bruintintjes, zwart en wit, van kalk. Boring. Alle “oude” kunst is een beetje bruinderig. Aardekleuren. Moet je mee aan komen in onze tijd: een wervelstorm van felle kleuren. 

Blauw uit heel verre landen

Blauw, en dan ben je al verder opgeschoven in de geschiedenis de dertiende eeuw in, moest van heel erg ver komen, Afghanistan, de naam Ultramarijn betekent tenminste ‘over de zee’. Niet gek dat er soms een Maagd Maria in haar blauwe mantel niet afgemaakt werd in een schilderij: het wachten op het schip duurde te lang. Of het geld was op, want goedkoop zal dat niet geweest zijn.

Purper van zeeslakken

Over duur gesproken, in de tijd van de Romeinen was er eindelijk een manier gevonden werd om purper te produceren, met speciale slakjes uit de Middellandse Zee. Dat was zo arbeidsintensief, dat er een slimme marketingstruc bedacht moest worden: alleen de keizer mocht die kleur dragen. Nou ja, ook wat hoogwaardigheidsbekleders: dat waren dan ook diegenen die het kon betalen om voor een of twee gram verf zo’n 15000 slakjes te laten uitknijpen. De kleur werd alleen voor textiel gebruikt, dus dat was pech. En stinken dat die bergen afgedankte slakkenlijkjes deden, in dat Mediterrane zonnetje – men heeft het er nog over. Pas door de chemische industrie in de 19e eeuw kwamen er purpers tevoorschijn, waar ook kunstschilders iets aan hadden. En die sloegen toen wel door, er waren toen ineens heel veel nieuwe kleuren, zalig.

Rood van dode luizen

Nog wat meer dode dieren, en je eet het nog op ook! E120 is een rode kleurstof die voor voedsel wordt gebruikt. Bloed, dat uit dode luizen wordt geperst. Speciale luizen dan wel, en die leven op speciale cactussen. Smakelijk eten! Schilders vinden dat Karmijnrood wel niet zo handig, omdat het vrij snel verschiet, maar als er nou niet veel anders is, dan gebruik je dat natuurlijk. Ik heb zelf een Karmozijnbes in de tuin staan, wiens zwarte giftige bessen eenzelfde prachtige rode kleur afgeven. Die naam heeft de plant niet voor niets. Ik heb ‘m wel gebruikt, om te zien hoe lang dat goed rood zou blijven. (Niet lang dus, drie jaar later was het helemaal verschoten, kijk hieronder.)  

Toch was er met de geheel onvrijwillige hulp van de luizen eindelijk wèl een rood dat niet zo moeilijk deed (met reageren op andere pigmenten en materialen – als kunstschilder was je al gauw een halve alchemist.)

Het is dierenmishandeling, maar je hebt er wel weer een paar blije kunstschilders bij.

Maar als veganist zouden ze het niet redden.

Mijn beroepsgeheimen

 

 

Hierbij: bovenaan mijn Karmozijnbes, ’14, mixed media, en sap van de bes, op papier, 75 x 55 cm. Onderaan, de verschoten kleur, drie jaar later. Zie Tuinatelier. Wordt vervolgd.

Meer info: En verfmolen de Kat moet je zeker eens bezoeken. Niks dan oude pigmenten te zien daar, al die brokken rots, mineraal en halfedelsteen moeten gemalen worden tenslotte. 

Share